Mainmenu

Archief Katharine Fremantle

In het najaar van 2019 arriveerde het archief van de kunsthistoricus Katharine Fremantle in het RKD, als geschenk van het echtpaar Jan en Els Jimkes-Verkade uit Utrecht.


Illustere afkomst

Een aanzienlijk deel van het archief van Katharine Fremantle bestaat uit correspondentie, met vooral veel brieven van de kunstgeleerden Johannes Wilde (1891-1970), Jan van Gelder (1903-1980, tijdens de Tweede Wereldoorlog directeur van het RKD), Elisabeth Dhanens (1915-2014) en Kerry Downes (1930-2019), met incidenteel ook haar antwoorden. Kay Fremantle werd in 1919 geboren in Swanbourne (UK), maar zij stierf in 2018 in Nederland, waar zij het grootste deel van haar leven gewoond heeft. Als dochter van Thomas Francis Lord Fremantle, 3rd Baron Cottesloe (1862-1956) en Florence Tapling (1875-1956) behoorde zij tot de hoge Engelse adel. Door zich in Nederland te vestigen kon ze aan dat formele milieu ontsnappen. Zij werkte er eerst aan de Universiteit Utrecht, later aan de Vrije Universiteit.


Johannes Wilde en Jan van Gelder

De grootste verdienste van Fremantle op kunsthistorisch terrein is haar dissertatie over het stadhuis van Amsterdam, waarop zij in 1956 bij Wilde aan het Courtauld Institute in Londen promoveerde. Drie jaar later verscheen, vooral door toedoen van Van Gelder, de uitgebreide handelseditie. Wat als conventioneel onderzoek naar nauwelijks bestudeerde beeldhouwkunst begon, groeide uit tot een pionierende, cultuurwetenschappelijke publicatie, nog altijd de standaard voor wie zich met het Stadhuis op de Dam bezighoudt. In de correspondentie met Wilde en Van Gelder, twee eminente, veelzijdige en ook pionierende kunsthistorici, kunnen we die ontwikkeling volgen. Van Gelder stimuleerde haar bovendien tot de bezorging van het geïllustreerde reisboek uit 1711 door de Lage Landen van de Engelse schilder James Thornhill (1975).


Elisabeth Dhanens en Kerry Downes

De correspondentie met Elisabeth Dhanens liep van 1966 tot 2014. Zij deelden twee liefdes, in het teken waarvan hun gezamenlijke reizen stonden: kunstgeschiedenis en tuinen. Er was echter een groot verschil tussen de vrouwen: terwijl Fremantle na Thornhill weinig onderzoek meer deed, bleef Dhanens belangrijke en veelzijdige studies publiceren over kunst uit de Zuidelijke Nederlanden. In haar brieven repte zij frequent van haar onderzoek naar Van Eyck, Rogier, Hugo van der Goes, maar ook naar glasschilderkunst in Gent en naar Giambologna. De correspondentie van Fremantle met haar jongere studiegenoot Kerry Downes bestrijkt een nog langere periode (1950-2016). In zijn brieven die Downes, een vaardig tekenaar, met tekeningen verluchtte, volgen we het wel en wee van het Courtauld Institute, inclusief de ontmaskering van Blunt als dubbelspion, volgen we zijn eigen onderzoek, lezen we over tentoonstellingen enzovoort. Het onderzoek van Downes betrof vooral de architectuur, maar ook de schilderkunst. Zo schreef hij een boek over Rubens, waarin hij met eigen tekeningen de oorspronkelijke context van Rubens’ altaarstukken in beeld bracht.

Kay Fremantle in 1951, in 1960 (op het dak van de kathedraal van Chartres) en in 2010.