Mainmenu

Negentiende-eeuwse Atelierpraktijk

Israëls, Jozef, 1891-01-01, Jozef Israëls
Citaat
Bibliotheek
Elsevier's geïllustreerd maandschrift : verzameling van Nederlandsche letterkundige kunstwerken geïllustreerd door Nederlandsche kunstenaars (Link to publicatie)
Vorm
tijdschriftartikel
Vrije titel
Jozef Israëls
Begindatum
1891-01-01
Einddatum
1891-06-01
Opmerking datering
vol.I, 1 jrg. (1891)
Trefwoord persoon
Israëls, Jozef (kunstenaar)
Netscher, Frans (auteur/correspondent)
Taal
Nederlands [TA]
Citaat
Diepweg in het huis, bijna onhoorbaar, gaat de deurbel over, zoo eigenaardig vreemd als in de boschwachterswoning van een oud kasteel, of als in een kostershuisje bij een reusachtige kerk. Gij wacht op de bovenste tree van het bordes, en gij kijkt naar de wegijlende gracht tusschen de twee rijen hooge iepeboomen. Gij merkt de deur achter u niet opengaan, onhoorbaar als door een voorzichtige hand, totdat het bescheiden stemmetje van een dienstbode u waarschuwt. Dan komt gij in een vestibule en de deur is achter u gesloten. Er Heerscht een tonige stilte in deze vestibule, de stilte van een héél huis, zoo iets als van een Museum-portaal of van een kerk op een door-de-weekschen dag; de geluiden zijn gesmoord achter de gesloten kamerdeuren, in de loopers der gangen en trappen. En 't is een dikke, doffe, mollige stilte, die, wanneer men er eenigen tijd zou moeten wachten, de gedachten en de stemming vér weg brengen zou van de kleinigheidjes van 't leven buiten, zou stemmen tot ernst, met kunst-zoekende, half dichtgeknepen oogjes; men zou blijven dralen voor Thijs Maris' ets van Millet's "Zaaier", of voor eenige gigantische kunstconcepties van Michel Angelo. De stemming zit er in! En een zijdeur wordt voor u geopend, geopend tegen het halfduister van een stilkleurige kamer, die een gezeefd licht ontvangt langs en door twee half weggedrapeerde gordijnen. De gastvrouw komt u tegemoet, en gij wordt uitgenoodigd plaats te nemen tusschen vele reeds aanwezige gasten, dames en heeren, die gij langzamerhand in het halfduister gaat herkennen. Meestal zijn het bekende personaliteiten uit de verschillende kunstwerelden, want Israëls' huis is een der Haagsche middenpunten, waaromheen zich jonge en oude artiesten bewegen. [...] En al dien tijd ontbrak de gastheer...... Totdat tegen half-vier, ongemerkt en onhoorbaar aansloffend, de kleine gestalte met het grijze hoofd van Israëls uit de tuinveranda als een verschijning kwam opdagen. Daar stond hij in de deuropening, een weinig voorovergebogen, met een hand aan zijn bril, verblind door het heldere buitenlicht, in de onmogelijkheid iemand in het halfduister der kamers te herkennen. Van achter, uit den open hemel en door het glas der veranda, goot het daglicht tegen hem aan en langs hem heen. Zijn kleine gestalte in donkere kleeding werd hard uitgekrast tegen den achtergrond van lichtwit, terwijl het grijze haar van hoofd en baard zilver blond tegen den dag uitkwam: - een klein, goedig, ineengeschrompeld patriarchje, zoekend met den blik op den drempel zijns tempel. [...] Gaat men de beide salons door, dan vindt men in de veranda een deur, die toegang geeft tot een diepen, langen gang, eenige trapjes af en gelijkvloersch met den tuingrond. De eigenlijke naam voor deze gang is: een overdekte doorloop, getimmerd over de geheele lengte van den tuin, en een verbinding vormend van het woonhuis met het steenen atelier, dat hij achter in zijn tuin heeft laten bouwen. De doorloop, verwarmd en in tonig licht, is volgehangen met studies, die 't gezellig en huiselijk maken. Op het einde van dezen gang bevindt men zich voor een tweede trap, een twintigtal treden hoog, en die bij den bezoeker een eigenaardig, stemmingsvol gevoel opgewekt van afzondering - als ging men iemand opzoeken, die met zijn kunst in een stil hoekje van de stad is weggekropen: een Kluizenaar van het penseel, een groote Heilige van de schilderkunst. Onhoorbaar, met gesmoorde stappen in den molligen, dikke looper, klimt met naar boven, tot aan een klein bruin deurtje aan de linkerhand. Men klopt tegen het hout, en van binnen klinkt, als het stemmetje van een buikspreker, hoogjes en heel vér weg, gauw uitgestooten: "Binnen!" De deur open, en men komt in een enorme ruimte. Naar de vier zijden staan de muren hoog en vér weg, opklimmend naar een vlakke zoldering, makend met den vloer een groot cubusvormig atelier. Een reusachtig raam op het Noorden laat een zonlooslicht naar binnen stroomen, het gietend uit een bleekblauwen Hollandsche hemel, dwars door het glas, van binnen in samenvloeiende bundels geworden één stil, rustig lichtbad, dat neerglijdt over alle voorwerpen. Wit, blauwig wit, op den voorgrond, klimt het op tegen stoelen, duikelt weg over eenige schoorsteen-ornamenten, strijkt kantlichtjes over de rondingen der vooraanstaande voorwerpen,, tikt hier even met een glimmertje op een glinsterend porseleintje, om dan weer breed en vlak neer te plassen op den grond. En het vloeit uit, wegsiftend naar achteren, uitloopend in kracht, om in de diepte in een tonig tusschenlicht te versmelten, waarin eenige schilderijen tegen den wand droomhangen. Midden in dezen cubus, die volgeloopen is met zonloos licht, zit achter een ezel Jozef Israëls te werken, gedraaid met den rug naar den deur; maar in deze enorme ruimte, hoog, breed en wijd, lijkt zijn kleine gestalte nog kleiner, bijna nietigjes van proporties, kort, smal, ineengebogen, niet grooter doende dan een stoel, een afzonderlijkheid uitmakend met zijn ezel, als een alleenstaande groep. Hij herkent u bij 't binnenkomen aan uw stem, ofschoon hij u niet zien kan. En onmiddelijk roept hij u vriendelijk welkom toe: - Zoo ben jij '! Nu daar doe je goed an!... Waar heb-je zoo lang gezeten?... Excuseer me, dat ik je geen hand geef... Als je wilt gaan zitten, kijk, daar staat een gemakkelijke stoel... Je neemt me niet kwalijk, niet waar, dat ik nog wat blijf werken... En-ne, wat voor nieuws breng je mee? Druk aan 't werk geweest? Wat nieuws onder handen?" Op vriendelijken, aangenamen toon blijft hij met u praten, belangstellend in ' geen hij weet, dat u lief is, in gemoedelijke, korte zinnetjes, en zich zelf telkens in de rede vallend. Ondertusschen werkt hij langzaampjes door, zijn penseel houdend aan 't uiteinde van zijn kort armpje, voorover gebogen naar zijn doek, en, zoover als mijne herinneringen strekken, altijd met een hoed op 't hoofd. En dan, in kort beschouwinkjes, van tijd tot tijd, om te zien hoe 't doet, even het bovenlijf naar achteren brengend, blijft hij wel eens in een zin steken, vergetend hem af te maken, u geheel te antwoorden, om daarna, als herinnert hij zich iets te moeten zeggen, ineens iets anders te beginnen, zonder te denken om het voorgaande. Totdat hij opstaat, palet en penseelen op het krukje neerlegt, met een snellen duw zijn hoed achter op het hoofd schuift, en met de handen in de zakken eensklaps voor u komt staan. Zijn hoofd, met de welbekende karakteristieke trekken, geheel gezet in het wit van baard en haar, waarin achter de brilleglazen de altijd heldere guitige oogjes, staat boven twee smalle schouders, die uitloopen in een slordige lichaamslijn, als van iemand die wel aan iets anders te denken heeft dan aan de coquetterie van zijn uiterlijk: zoo iets als een dasje dat scheef zit, een lus die uit de jaskraag steekt, een nonchelance van onnadenkendheid. En dwars door het glas van het enorme atelierraam giet het licht op hem neer, nog witter makend de eerwaardigheid van zijn grijsheid, waaronder zijn zwarte kleeding zich scherper afteekent tegen de lichtere tonen van den achtergrond. Dan zegt hij: - Ja, ik heb vandaag niet veel voor je te zien... Kom maar 's hier! Hij brengt u naar een studie, naar een schilderij in wording, juist aangesmeerd, een breeden opzet nog vol zoeking, maar al raak, die 't al doet. Hij blijft naast u staan, zelf beschouwend zijn begonnen werk, in een frissche kijking met oog en gevoel uitwerkend dezen opzet van zijn nieuwe schepping, iets vindend op dat moment, waarnaar hij tevergeefs gezocht had - een van die kunstheerlijkheden makend in het hoofd, zooals een artiest in eigen gevoelsgeluk scheppen kan uit het embrio, dat alleen nog spreekt tot hem. Zoo is Jozef Israëls in huis en in zijn atelier: een mensch en een artiest vol groote en beminnelijke eigenschappen, een van die volbloed kunstenaars, die de kunst liefhebben óm de kunst, en die schilderen uitsluitend en alleen om kúnst te maken - een kunst, even geheimzinnig en raadselachtig als het Groote Leven der Menschheid, zonder doel, zonder oorzaak, scheppend uit aandrang, zonder nutsbedoeling - de hoogste openbaring van het immaterieele mensch-zijn!
Trefwoord
licht in het atelier; schildersatelier (werkruimte); zelfgebouwd atelier; schetsmatig schilderen; in het atelier werken; palet; kloeke streek; atelierbezoeker; olieverfstudie; opvattingen (guideterm)

Reacties

Geen reacties

Mijn selecties

Mijn selecties

Uw huidige selectie zal gewist worden. Wilt u doorgaan?