Mainmenu

ESNA Congres 2021: Thinking in the Box

Van 26 tot en met 28 mei 2021 vond het ESNA Congres Thinking in the Box plaats, georganiseerd door de European Society for Nineteenth-Century Art (ESNA) in samenwerking met het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis.


Thinking in the Box: winst en voordelen van artistieke tradities in de negentiende eeuw

Traditie is de eeuwige 'Andere' in de kunstgeschiedenis: het is dat wat overkomen of weerstaan moet worden, afgeschud of, als er een compromis moet worden gesloten, artistiek moet worden toegeëigend. De geschiedenis van de negentiende-eeuwse kunst, zogenaamde eeuw van innovatie, vooruitgang en revolutie, is, meer dan enig ander, geworteld in anti-traditionalistisch sentiment, doordrenkt van retoriek die innovatie bevoorrecht en verbonden met narratieve structuren die artistieke traditie verwerpen. Modernistische en andere teleologische geschiedenissen over de kunst van de negentiende eeuw hebben verandering en vernieuwing altijd benadrukt. Maar zelfs revisionistische kunstgeschiedenissen laten amper ruimte om traditie op zichzelf te beschouwen. In de regel hemelen deze het esthetische aspect van traditionele kunst op, zonder veel verdere reflectie, of bespreken ze academische kunst als innovatief op een andere manier dan gebruikelijk, ofwel als vernieuwend binnen een traditioneel kader, ofwel als vernieuwend in de zin van vooruitwijzend naar ontwikkelingen die niet worden geassocieerd met het formalistisch modernisme.

De afwijzing van artistieke tradities kan te maken hebben met het gebruik ervan in fascistische en totalitaire ideologieën, maar zij is ook het resultaat van een structuralistische benadering binnen de kunsthistorische discipline die voortdurend het nieuwe tegenover het oude stelt (waarbij het ‘oude’ steeds de gemarkeerde term is). Ironischer wijze is deze structurele tweedeling deels een product van de negentiende eeuw zelf: zij vloeit voort uit een opkomend historisch (en kunsthistorisch) bewustzijn en de botsing daarvan met een sterk geloof in verandering en vooruitgang. Deze te simpele oppositie tussen wat was en wat zal zijn is echter nog steeds bepalend voor onze opvattingen over de artistieke praxis. Het lijkt wel of 'echte kunst' de creatie moet zijn van iets uit niets – een overtuiging die stamt uit de vroege negentiende-eeuwse romantische kunstfilosofie en vervolgens een belangrijk basisprincipe werd in de modernistische kunstkritiek. Het resultaat is dat kunsthistorici amper buiten de dichotomie tussen traditie en innovatie kunnen denken en traditie bijna altijd als een probleem benaderen. Zelden wordt de rijkdom van artistieke traditie op een positieve manier onderzocht.

De vraag blijft of deze afwijzing van artistieke traditie wel recht doet aan wat kunst echt is, of misschien beter, aan wat in de negentiende eeuw als kunst werd gezien. Voor Charles Baudelaire zou het antwoord ontkennend zijn geweest. In zijn Salon van 1859 constateerde hij dat 'poëzie en vooruitgang als twee ambitieuze mannen zijn die elkaar vanuit een instinctieve afkeer haten'. Tijdens dit congres beschouwen we artistieke traditie niet als de nemesis van artistieke schepping maar als een op zichzelf staand fenomeen. Het congres beoogt de potentiële artistieke, commerciële en politieke voordelen van het denken in the box te onderzoeken – van het voortzetten van artistieke traditie(s), het werken binnen deze tradities of het ernaar teruggrijpen. Wat leverde traditie op dat innovatie niet kon opleveren voor kunstenaars en de wijze waarop zij hun kunst begrepen? Hoe kon traditie het publiek helpen bij de verwachtingen die het stelde in kunst? Wat leverde traditie op voor mecenassen en hun uiteenlopende sociale, politieke en esthetische agenda's?


Organisatie

  • Organiserend comité: Jan Dirk Baetens (Radboud Universiteit Nijmegen), Mayken Jonkman (RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag) en Myrthe Krom (Teylers Museum, Haarlem).
  • Wetenschappelijk comité: Maite van Dijk (Van Gogh Museum, Amsterdam), Rachel Esner (Universiteit van Amsterdam), Liz Prettejohn (University of York), Jenny Reynaerts (Rijksmuseum, Amsterdam), Marjan Sterckx (Universiteit Gent), Chris Stolwijk (RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag en Universiteit Utrecht).

Informatie

Informatie