Mainmenu

Piet Mondriaan en Sal Slijper: vrienden voor het leven?

In het Parijse museum Marmottan Monet opende in september een tentoonstelling Mondrian Figuratif, waarin het verhaal wordt verteld van Mondriaan-verzamelaar Salomon (Sal) Slijper. Voor de catalogus bij de tentoonstelling schreven Wietse Coppes en Leo Jansen – editeurs van het Mondriaan Editieproject - op basis van de bewaard gebleven brieven en andere documentatie een omvangrijk artikel over de complexe vriendschap tussen Mondriaan en zijn vriend, mecenas en verzamelaar Slijper. Behalve een nieuw en veelomvattend beeld van de vriendschap, leverde dat nieuwe gegevens op over het ontstaan, de herkomst en de conditie van enkele schilderijen van Mondriaan uit de collectie Slijper.


Het begin

Mondriaan en Slijper leerden elkaar kennen in de zomer van 1915, toen ze aan dezelfde tafel in pension De Linden in Laren de maaltijd gebruikten. Na het zien van een abstract werk van Mondriaan dat daar aan de muur hing – waar Slijper pas na zes weken aan kon wennen – raakte de makelaar gefascineerd door Mondriaans werk, dat hij op grote schaal begon te verzamelen. Hij kocht met name vroege, naturalistische werken, hoewel zijn collectie ook voorbeelden uit latere ontwikkelingsfasen bevat. De vriendschap tussen beiden groeide eveneens en kreeg vorm in bezoeken over en weer, voorschotten van Slijper aan Mondriaan in geld of natura (zoals een pantalon of jasje), gezamenlijke dansavonden in Hotel Hamdorf waar de Gooise bohème van die jaren bijeenkwam, en diepgaande gesprekken over levenszaken en over de aantrekkelijkheden (of het gebrek daaraan) van de andere sexe. Ondanks hun tegengestelde karakters komt uit het geheel van overgeleverde brieven, interviews en herinneringen een beeld naar voren van kameraadschap.

1. Henri van de Velde, Portret van Sal Slijper, 1930, Museum Arnhem
2. Piet Mondriaan, Zelfportret, 1918, Kunstmuseum Den Haag (legaat Slijper)
3. Brief van Piet Mondriaan aan Sal Slijper, 24 mei 1916, Archief Sal Slijper, RKD


De Parijse transactie

Een groot gebaar van oprechte vriendschap was Slijpers blinde bod op de werken die tijdens de eerste wereldoorlog in Mondriaans Parijse atelier waren gebleven terwijl hij die jaren in Nederland doorbracht. Toen de kunstenaar er in juni 1919 weer terugkeerde, bleken de werken ongeschonden en werd Slijpers collectie in één klap uitgebreid met zestig tekeningen en schilderijen. Daaronder zijn enkele van de belangrijkste schilderijen uit Mondriaans luministische periode (1908-1910), de daarop volgende decoratief-kubistische transitiefase (1910-1911) en de kubistische, eerste Parijse periode (1912-1914). Bovendien breidde Slijper zijn bezit van het naturalistische werk aanzienlijk uit, waardoor hij een representatief overzicht van Mondriaans oeuvre tot en met 1914 bezat.


Verwijdering

Ironisch genoeg luidde de slag die Slijper als verzamelaar in 1919 wist te slaan de verwijdering tussen de vrienden in. Mondriaan zou nooit meer voet op Nederlandse bodem zetten. Hoewel Slijper hem in de loop der jaren nog meerdere keren in Parijs bezocht kwam ook daar gedurende de jaren de klad in. Toen hij Mondriaan omstreeks 1923 te kennen gaf graag iets te willen kopen uit de abstracte, nu wereldberoemde ‘neo-plastische’ periode viste hij achter het net. Sinds 1923-’24 was Mondriaans ster rijzende, met verkopen in voornamelijk Duitsland. In de jaren twintig en dertig bleef Slijper zich echter beijveren om de aquarellen van bloemen, die Mondriaan maakte om de kachel brandend te houden, te verkopen aan vrienden en bekenden. Ook probeerde hij musea over te halen een werk van zijn vriend te verwerven of een Mondriaan-tentoonstelling te programmeren. Zijn inzet was zelfs zo groot dat Mondriaan sprak van een ‘Slijper-gedenkteeken’, dat zijn vriend volgens hem dubbel en dwars had verdiend.


New York

Mondriaan van zijn kant was langzaam in een andere wereld beland, en dan vooral in een andere kunstwereld, die heel wat vooruitstrevender was dan de Nederlandse. Zeker nadat hij in 1938 naar Londen vertrok om uit de handen van de nazi’s te blijven (twee werken waren opgenomen geweest in de door het naziregime georganiseerde Entartete Kunst-tentoonstellingen in 1937) en vervolgens in 1940 naar New York overstak, werd de afstand letterlijk en figuurlijk erg groot. De laatste brief dateert uit 1939. De vriendschap, en zeker de behoefte aan contact, was aan Mondriaans kant duidelijk uitgedoofd. Ondanks de afstand van duizenden kilometers had de joodse Slijper begin 1944 vanaf zijn onderduikadres op de zolder van zijn eigen huis gevoeld dat Mondriaan stervende was: ‘Ik zag hem sterven, een week lang, in een hel blauw licht. Ik wist niet of ik het was of hij, die daar dood ging.’ Deze anekdote over een ontroerende bovennatuurlijke ervaring maakt deel uit van een idealiserende mythe die Slijper rondom zijn vriendschap met de kunstenaar had gecreëerd en in leven hield.

Hoewel Slijper altijd heeft verklaard in Mondriaan een ‘vriend voor het leven’ te hebben gehad, mogen we ons afvragen of omgekeerd hetzelfde gold voor Mondriaan – zeker in de latere jaren. Voor de kunstgeschiedenis is de relatie echter van grote betekenis gebleken: de omvang van Slijpers Mondriaan-collectie was ongeëvenaard en hij legateerde die bij zijn dood in 1971 aan het Kunstmuseum Den Haag, dat zich vanaf dat moment kan beroepen op de grootste en belangrijkste Mondriaan-collectie ter wereld.

Musée Marmottan Monet presenteert voor het eerst het volledige verhaal over de kunstenaar en de verzamelaar, met een representatieve keuze uit de collectie van het Kunstmuseum Den Haag. De tentoonstelling Mondrian Figuratif is nog te zien tot en met 26 januari 2020.

4. Briefkaart (recto en verso) van Piet Mondriaan aan Sal Slijper, 8 juli 1921, Archief Sal Slijper, RKD


Voor meer informatie: www.mondrianpapers.org / info@mondrianpapers.org.