Mainmenu

Kunsthandelarchieven: Floris Verster en 'een bakbeest van een schilderij'

Het RKD heeft de conservering en digitalisering van zeven belangrijke kunsthandelarchieven uit de periode tussen 1850 en 1950 afgerond, als onderdeel van het landelijk conserveringsprogramma Metamorfoze. We lichten de komende tijd digitale archiefstukken uit om een beeld te geven van deze kunsthandels.


Archief Huinck (en Scherjon)

Het complete archief van de Utrechtse kunsthandel Huinck, later Huinck en Scherjon, bestaat niet meer. Verbrand, zo schijnt het. Slechts een klein plukje archief dat vooral betrekking heeft op de kunstenaar Floris Verster (1861-1927) wordt bewaard in het RKD. Een gedeelte van na 1930, wanneer Willem Huinck (1881-1966) zich met zijn naam- en stadsgenoot Willem Scherjon (1878-1939) heeft geassocieerd, wordt bewaard in het Van Gogh Museum.

1. Floris Verster, Portret van Willem Scherjon, 1920, 53 × 43 cm, collectie Museum De Lakenhal, Leiden
2. Rudolf Bremmer, Portret van Hendricus Petrus Bremmer, 1955, 86 x 74 cm, foto RKD
3. Briefkaart van Floris Verster aan Willem Huinck, 22-07-1921, collectie archief Huinck en Scherjon, RKD


Correspondentie van Floris Verster

Willem Huinck neemt in 1903 de prentenhandel van zijn vader over en breidt de zaak uit tot een handel in moderne kunst. Wanneer hij in 1919 een nieuwe zaak opent aan het Lucas Bolwerk in Utrecht wordt daar vooral werk aangeboden van kunstenaars die ook door de kunstpaus H.P. Bremmer (1871-1956) worden gewaardeerd.

Huinck verkoopt nu ook de kleurenlichtdrukken van kunstwerken, die Bremmer samen met de drukker en uitgever Willem Scherjon publiceert. De band met beiden moeten goed zijn geweest, want de schilderijen uit de zaak van Huinck worden vaak afgebeeld in de uitgaven van genoemde heren.

Een van de kunstenaars die door Bremmer bewonderd wordt, is Floris Verster. Zijn werk wordt dan ook door Huinck verhandeld. Verster bezoekt regelmatig de diverse, bij Huinck gehouden exposities, en Willem Scherjon is daar vaak bij of haalt de kunstenaar af van de trein. Wanneer Verster en zijn vrouw bijvoorbeeld in 1921 een bezoek aan Utrecht plannen, schrijven zij aan Huinck dat zij het ‘aardig vinden, den Heer Scherjon dan ook nog te ontmoeten’. Verster presenteert bij Huinck niet alleen zijn eigen werk, maar verkoopt er ook een Breitner. Hij bemiddelt bij de verkoop van een schilderij van W.B. Tholen aan De Lakenhal en geeft advies bij de aankoop van eigen ouder werk. Wanneer Willem Huinck een schilderij van hem uit de collectie Kalff kan kopen, stuurt Verster er een reproductie van, maar hij waarschuwt ook: ‘De grootte is: 1,35 bij 2 meter en ’t jaar 1889[.] ’t is een bakbeest van een schilderij en ik zou er mij maar twee maal over bedenken het te koopen.’ Op dezelfde briefkaart bedankt Floris Verster hem voor het ‘keurig dejeunertje’, en zo schrijft hij: ‘wat hebben wij van veel moois genoten, de Jongkind is toch een pracht van een schilderij ik zie het nog altijd voor mij’.

Het kleine gedeelte archief dat bewaard is, toont aan dat er veel wederzijdse belangen waren tussen Huinck, Verster en Scherjon. Het is niet verwonderlijk dat Huinck zich in 1930 met Scherjon associeert. Het bewaarde plukje maakt nieuwsgierig. Is de rest echt verbrand? Het stukje archief dat wij nu kennen, dook op bij de kunsthandelaar Leendert van Lier. Wie weet is er ergens op een zolder in Nederland nog meer te vinden.

1. Floris Verster, Stilleven met pioenen, 1889, 135 x 202 cm; mogelijk is dit het schilderij dat Verster omschrijft als ‘bakbeest’, collectie Stedelijk Museum, Amsterdam
2. Uitnodiging voor een tentoonstelling in 1921 bij kunsthandel Huinck aan het Lucas Bolwerk in Utrecht, met werken van onder andere Verster, Breitner en Tholen, foto RKD