Mainmenu

Max J. Friedländers bevrijdende zomer van 1945

Het notitieboekje dat Max J. Friedländer vanaf juni 1945 bijhield, geeft een indringend inzicht in de eerste maanden na de bevrijding, nu 75 jaar geleden. Het is het laatste van ruim 160 bewaard gebleven notitieboekjes, die samen met kunsthistorische aantekeningen, manuscripten, correspondentie, overdrukken en persdocumentatie Friedländers voormalige werkmateriaal omvatten. In 2007 werd het door de erfgenamen als langdurig bruikleen in beheer gegeven aan het RKD. In 2019 werd het bruikleen omgezet in een schenking.


Zware oorlogsjaren

De Duitse kunsthistoricus en voormalige Berlijnse museumdirecteur Max Jacob Friedländer (1867-1958) begon zijn laatste aantekenboekje op 7 juni 1945, twee dagen na zijn 78ste verjaardag. Sinds de machtsovername door Hitler in 1933 had hij vanwege zijn Joodse komaf op dat moment ruim twaalf jaar van stelselmatige uitsluiting achter de rug. Een periode die aanving met een lastercampagne en gedwongen pensionering, die vervolgens almaar fnuikender werd door steeds verdergaande beperkende maatregelen, ongewild vertrek van familie en vrienden en aanzienlijk verlies van kapitaal, en eindigde met een noodgedwongen emigratie naar Nederland en het doorstaan van vijf zware oorlogsjaren.

In 1938 had Friedländer – ten langen leste – een beroep gedaan op het Kunstgeleerdenfonds, dat was gelieerd aan het RKD en waarvan Hans Schneider (1888-1953), de eerste directeur van het RKD, secretaris-penningmeester was. Het fonds, dat grotendeels tot stand was gebracht door giften van particulieren, was opgericht met de bedoeling Duits-joodse kunsthistorici, waaronder Friedländer, de helpende hand te bieden. In mei 1939 vestigde Friedländer zich in Den Haag. Vanwege de bouw van de Atlantikwall en de daaruit volgende grootscheepse evacuatie van bewoners uit Den Haag, verhuisde hij in 1943 op last van de bezetter naar Amsterdam. Na de bevrijding viel er een last van zijn schouders. De opluchting die uit elke pagina van Friedländers notitieboekje opwelt als in juni 1945 de wereld weer in haar gewone doen probeert te raken, is nog altijd hartroerend.

1. Portret van Max J. Friedländer, 1941, foto RKD
2-4. Pagina's uit Friedländers notitieboekje van 1945-1946, collectie RKD, Archief Max J. Friedländer


Hernieuwd contact

Zoals zovelen, probeerde ook Friedländer na de bevrijding weer contact te krijgen met zijn dierbaren. 'Brief v.[on] m.[einem] Bruder a.[us] London', zo noteerde hij op 7 juni. De brief van zijn oudere broer Ernst werd dezelfde dag nog beantwoord. Ook op deze dag bracht Jan van Gelder (1903-1980), tijdens de oorlog waarnemend directeur van het RKD, een bezoek aan Friedländer in diens appartement aan de Beethovenstraat in Amsterdam.

Behalve van zijn broer, ontving hij een maand later ook brieven van zijn jongere zussen, Amalie en Ella, die in de jaren dertig met hun gezinnen naar Verenigde Staten waren vertrokken. Ronduit uitgelaten was Friedländer over een brief – 'mit viel.[en] guten Nachrichten […] !' – van zijn vakgenote Grete Ring, die eind jaren dertig naar Londen was gegaan om de scepter te zwaaien over het aldaar geopende filiaal van de kunsthandel Cassirer. Niet minder opgetogen was hij over de ontvangst van de Engelse uitgave van zijn boek Von Kunst und Kennerschaft uit handen van de Engelse kunsthandelaar Edward Speelman. Het manuscript, dat door Bruno Cassirer stiekem mee naar Engeland was genomen en daar in 1942 als On Art and Connoisseurship was uitgegeven, kreeg Friedländer nu voor het eerst onder ogen. Wat de overhandiging extra bijzonder maakte, was het feit dat Speelman, die tijdens de oorlog in het Britse leger had gediend, een belangrijke rol had gespeeld bij de arrestatie van Arthur Seyss-Inquart, de voormalige Rijkscommissaris van het bezette Nederland.


Naast opluchting ook zorgen

Gaandeweg kwam in de zomer van 1945 ook het openbare leven weer op gang. Op 19 juni noteerde Friedländer: 'Telef.[on] wieder' en 'Tram wieder in Gang'. En halverwege juli: 'Eröffn.[ung] Rijksmus.[eum] !'. Hij betrad het niet zo ver van de Beethovenstraat gelegen museum enkele dagen later. Dat zo kort na de bevrijding de gemoederen van de kunstliefhebbers al weer danig in beroering waren gebracht, daarop wijzen Friedländers notities over de Rotterdamse 'Vermeer'. Volgens verzamelaar Johan Bierens de Haan, die Friedländer in het museum trof, was het schilderij een regelrechte vervalsing door Han van Meegeren.

1. De Beethovenstraat in Amsterdam. Friedländer woonde vanaf 1943 op de tweede verdieping van het rechter woonblok met de puntgevel, foto Stadsarchief Amsterdam
2. Han van Meegeren, Emmaüsgangers, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam


Naast opluchting, waren er ook zorgen. Het feit dat tijdens de oorlog Duitse kunstagenten en handelaren hun gewezen landgenoot bij herhaling hadden gedwongen om geschreven beoordelingen van al dan niet geroofde kunstwerken af te geven, bracht Friedländer na de oorlog in diskrediet. Beschuldiging van collaboratie en mogelijk zelfs een arrestatie lagen op de loer. Friedländer was zich zeer bewust van de malafide praktijken van de Duitsers en zijn ongewilde, twijfelachtige rol daarin, want al op 7 juni noteerde hij: 'Note über geraubte Bilder an v.[on] Gelder gegeben'. Gelukkig trof Friedländer in Jan van Gelder een onvermoeibare poortwachter, die er alles aan deed om ongerechtigheid jegens zijn protegé te voorkomen. Ondanks de grote opluchting, zou het nog enkele jaren duren voordat alle zorgen definitief tot het verleden behoorden.