Mainmenu
Nationaliteit/school
Zuid-Nederlands, Noord-Nederlands
Because of stylistic similarities with the work of Cornelis Engebrechtsz. the visual documentation concerning Jan (Wellens) de Cock can be found in the Northern Netherlands (BD/0516 - ONS/Historie 1).
Geboren
1460/1480
ca. 1470; in 1492 a Jan Wellens de Cock is mentioned in the Antwerp aldermen's registers
Overleden
Antwerpen 1521
His wife, Clara van Beeringen, is mentioned as a widow in 1521 in the reports of the brotherhood of Onze-Lieve-Vrouw-Lof in Antwerp, for which Jan de Cock carried out various assignments.
Familierelaties
in dit veld wordt een familierelatie met één of meer andere kunstenaars vermeld.
married to Clara van Beeringen, father of landscape painter Matthijs Cock (ca. 1510-before 1548) and engraver and print publisher Hieronymus Cock (1518-1570)
Deze persoon/entiteit in andere databases
Biografische gegevens
Werkzame periode
1506 - 1521
Werkzaam in
Hier wordt vermeld waar de kunstenaar (langere tijd) heeft gewerkt en in welke periode. Ook relevante studiereizen worden hier vermeld.
  • Antwerpen 1506 - 1521
    iIn 1506 'Jan de Cock, painter' is first mentioned in the Antwerp Liggeren; in 1520 dean of the Antwerp Guild of Saint Luke, together with Joos van Cleve (Rombouts/Van Lerius 1872/1961). Several financial transactions, mainly regarding real estate in van Hemeldonck 2007
werkzaam in
overleden
Materiaal/techniek
olieverf
Opmerkingen
Er zijn geen gesigneerde of gedocumenteerde werken van Jan (Wellens) de Cock bekend, behalve een 17de-eeuwse prent die is vervaardigd naar een schilderij, voorstellende de H. Christoforus (Friedländer 1967-1976, dl. XI, nr. 104). De prent draagt het opschrift 'Pictum / J. kock'. Deze twee werken vormden de basis voor het verder uitbouwen van het oeuvre van Jan de Cock. Omdat Friedländer stilistische overeenkomsten vaststelde met het werk van Cornelis Engebrechtsz., poneerde hij de hypothese dat de in 1503 in de Antwerpse Liggeren vermeldde Jan van Leyen (zie ook bij Opmerking naam) wellicht dezelfde schilder betrof. Gaandeweg groeide het oeuvre van Jan de Cock uit tot een verzameling schilderijen die onderling aanzienlijke stilistische verschillen vertoonden. Dit leidde vervolgens tot het onderscheiden van verschillende handen binnen dit oeuvre. Nicolaas Beets veronderstelde dat de werken van Jan de Cock konden worden toegeschreven aan de zonen van Cornelis Engebrechtsz., terwijl Ludwig Baldass naast Jan de Cock een nieuwe meester schiep met de noodnaam de Meester van de Weense Wegzending van Hagar (Friedländer 1967-1976, dl. X, nr. 78, Wenen, Kunsthistorisches Museum). Walter Gibson tenslotte, voegde nog een tweede meester met noodnaam toe, de Meester van de Weense Bewening geheten (Friedländer 1967-1976, dl. XI, nr. 105, Wenen, Kunsthistorisches Museum).
Over de kunstenaarspersoonlijkheid van ‘der vermeintliche Jan de Cock’, was Friedländer allerminst zeker. Het fundament waarop zijn hypothese was gestoeld dat Jan (Wellens) de Cock oorspronkelijk afkomstig was uit Leiden, beschouwde hij in 1933 nog altijd als ‘beunruhigend schmal’ (Friedländer 1933, p. 59). Het oeuvre van De Cock was op stijlkritische gronden rondom één enkel kernstuk gevormd, een landschap met de H. Christoforus (paneel, 35,7 x 45,9 cm, Londen, particuliere collectie, voorheen München, Professor Von Bissing), waarnaar een prent was gestoken die het opschrift 'Pictum / J. kock' droeg (ets en gravure, 259 mm x 318 mm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr RP-P-1963-630). Opvallend kenmerk van de aan De Cock toegeschreven werken was, aldus Friedländer, dat ze raakvlakken vertoonden met het werk van de in Leiden werkzame Cornelis Engebrechtsz (ca. 1460/62-1527). Het struikelblok vormde het vinden van een overtuigende verklaring voor enerzijds het ‘holländische Wesen’ dat te bespeuren viel en anderzijds de onmiskenbaar maniëristische invloed dat het oeuvre van Jan de Cock kenmerkte (Friedländer 1933a, p. 72). Dit bracht Friedländer tot de alleszins hypothetische oplossing om een zekere Jan van Leyen, in 1503 als vrijmeester in de Antwerpse Liggeren opgenomen, te vereenzelvigen met een Jan de Cock die in de Liggeren onvermeld blijft bij zijn intrede als vrijmeester, maar wel in 1506 en 1516 wordt genoemd bij het aanmelden van een leerling en nogmaals in 1520, als hij tot deken van het Sint-Lucasgilde wordt benoemd. Ervan uitgaande dat deze Jan de Cock dezelfde was als de schilder van het paneel met de H. Christoforus, gecombineerd met de vaststelling dat in diens samengestelde oeuvre sprake is van noordelijke invloeden, leidde dit tot de uiterst wankele veronderstelling dat Jan de Cock wellicht werkzaam was geweest in het atelier van Cornelis Engebrechtsz en nadien naar Antwerpen was getrokken waar hij kennis maakte met het Antwerpse Maniërisme, in het bijzonder via de kunst van Jan de Beer (Friedländer 1933a, pp. 59-60).
Ingevoerd op: 1991-12-02; Laatste wijziging: 2020-07-25

Reacties

Geen reacties

Mijn selecties

Mijn selecties

Uw huidige selectie zal gewist worden. Wilt u doorgaan?